Publicaties

    - Droombestemming
    - HP de tijd 2007

Droombestemming

de Volkskrant, Magazine, 15 maart 2008 (pagina 44)
tekst en fotografie Karolien Knols
Gewend aan kakkerlakken en klamme bedden, streek verslaggever Karolien Knols aan het eind van een vakantie op Bali neer in een weldadig luxe vakantiehuis. Zou het niet geweldig zijn zelf zo’n huis te hebben, mijmerde ze als ieder ander. Een jaar later heeft ze er een. ‘Waarom wilden we dit ook alweer?’
Ketut, priester en nachtwaker Villa Agus Mas klaar voor gebruik De rituele inwijding van de huistempel Karolien Knols
Jro Nyoman Banaspati Raja. Zo heet de god die zijn intrek heeft genomen in onze huistempel. En Jro heeft zin in een sigaret. Dat zegt althans Ketut, de priester wiens stem Jro heeft geleend om zijn wensen kenbaar te maken.
Lichte paniek onder de aanwezigen: wie heeft er een sigaret, en snel, want een hindoe laat zijn goden niet graag wachten. Er komt een Marlboro te voorschijn. Ketut neemt vier lange trekken, sluit zijn ogen, blaast de rook uit en zucht een lange zucht: hhee-hhee. Het is 8 januari 2008, 8 uur ’s ochtends, aan Jalan Melati nummer 4, Dencarik, Bali. Bij de poort van ons huis heeft zich een gezelschap verzameld dat vandaag de hindoeïstische inwijding van onze tempel zal verzorgen.
‘Jullie moeten nog voor je vertrek een tempel kopen en een ceremonie houden’, had ons personeel een paar dagen geleden gewaarschuwd, ‘want een huis zonder tempel is niet beschermd tegen kwade goden, en dan kunnen wij hier niet veilig werken.’ En dus zijn we op een middag achter op de brommer van Ayu, de hulp in huis, naar een dorp gereden om een tempeltje uit te zoeken. We zijn naar de grote markt gegaan om nieuwe kebaja’s te kopen: feestelijke bloezen die worden gedragen op een sarong. We hebben geld gedoneerd - bijna 100 euro, twee keer een maandsalaris - voor de offerandes.
En nu, op het hoogtepunt van de ceremonie, nadat er drie keer op een gebraden kip is getikt, met heilig water is gesprenkeld en er bossen wierook zijn aangestoken, heeft Jro nog een dwingend verzoek. Elke ochtend, als het tijd is voor de offers, wil hij een kop koffie en een sigaret. Dat mag Marlboro zijn, maar ook Gudang Garam, de Indonesische kruidnagelsigaret. En wat de koffie betreft: Kopi Bali is goed, maar Nescafé is beter. Het gezelschap lacht ondeugend, en mijn vriendin en ik kijken elkaar aan: hebben wij weer, zo’n veeleisende god.
‘Oké’, zeg ik op 11 maart 2007 tegen mijn vriendin, ‘we doen het.’ Die zin is het voorlopig hoogtepunt van een avontuur dat een paar maanden daarvoor is begonnen, in een vakantiehuis waarin wij, gewend aan logementen met kakkerlakken en klamme bedden, ons in een decor waanden uit de Linda.
Zwembad, grote tropische tuin, twee stappen naar de zee en personeel dat voor je kookt. Elke ochtend slaapwandelden we naar de bale benong, het open huisje pal aan het strand, en werden daar wakker terwijl vissers hun vangst van de dag binnenhaalden en wenkten: koop bij ons, verser kun je het niet krijgen! Als dit leven toch ooit ons leven zou kunnen worden, verzuchtten we toen, en eenmaal thuis besluiten we uit te zoeken wie die huizen bouwt.
Na een paar minuten googlen vinden we een naam: Bali Beach Garden. Het is het bedrijf van twee Nederlanders en een Balinees. Samen hebben ze in acht jaar tijd een kleine honderd villa’s gebouwd, verspreid langs de noordkust van Bali. Of we interesse hebben? Waarin? Ze kunnen alles bouwen, maar het makkelijkst is het te kiezen uit een van de vijf standaardvilla’s, daarin zijn ze het meest bedreven. Willen we met of zonder zwembad? En aan hoeveel grond hadden we gedacht?
Nou, willen we weten, misschien kunnen jullie ook iets vertellen over de koop zelf? We weten al dat buitenlanders geen grond en onroerend goed mogen bezitten. Allemaal goed geregeld, is het antwoord, met een pachtcontract. En het huis komt op naam van hun Balinese partner. Is in acht jaar tijd nog niet één keer fout gegaan.
Maanden van ja, nee, ja, nee, volgen. Ik drijf mijn vriendin tot wanhoop door de ene dag te zeggen: ‘We doen het’, en de volgende dag weer terug te komen op mijn besluit.
‘Je realiseert je dat je niet nog een keer kunt terugkrabbelen’, zegt mijn vriendin die dag in maart, en ik knik dat het dit keer menens is; dat ik op mijn 43ste maar eens moet breken met een opvoeding van ‘voorzichtig, denk na, neem geen onnodig risico’, en dat ze mag bellen met de mensen van Bali Beach Garden.
Dat doet ze. Sterker, ze doet meteen een bod. Voor drie keer het bedrag waarvoor je in Nederland een fraaie serre laat bouwen, biedt ze op een huis dat eigenlijk te groot is voor onze dromen.
Nog geen dag later zal ik, misselijk van deze stap, zeggen: ‘Ik heb me vergist, sorry, het gaat niet door.’ Nog weer een dag later, tijdens het ontbijt, vraagt onze zoon van 8 aan mijn vriendin, mijn kant uit knikkend: ‘Wil ze weer niet?’ Ik zie zijn teleurgestelde gezicht, dat van zijn broertje, dat van mijn vriendin, en ik denk: doeltreffender had zijn vraag niet kunnen zijn.
Waarom koop je in godsnaam een vakantiehuis op Bali, 16 uur vliegen hiervandaan? Dit is de reactie van de ene helft van de mensen die we over onze plannen vertellen. De andere helft zegt: ‘Stoer.’ Of: ‘Als jullie het gaan verhuren, dan boeken we meteen.’ Mijn moeder zegt: ‘Godverdomme.’ Ze vindt dat we een groot risico nemen door een huis te kopen in een land waar aanslagen worden gepleegd en waar de aarde beeft en de zee verzwelgt. Ze zegt: ‘En dan gaan jullie zeker ook emigreren.’ En dat we ons geld beter hier kunnen besteden, aan een groter huis.
Maar dat wil ik nou juist niet, ik wil niet dat gebaande pad, van klein huis naar groot huis, en om de zoveel jaar een nieuwe bank.
Ik wil een leven buiten Nederland, waar iedereen het alleen nog maar over moslims heeft, en waar we klagen, klagen, klagen terwijl we het zo goed hebben.
Ik wil Jro Nyoman Banaspati Raya - in elk geval voor een paar weken per jaar.
Twee maanden later zitten we in het vliegtuig. De bouwers hebben gebeld: ‘Jullie moeten nu komen, er zijn twee locaties waaruit je kunt kiezen, maar er zijn kapers op de kust, het zou jammer zijn als jullie achter het net vissen.’
Het wordt een afschuwelijk verblijf. Het regent onafgebroken en we zitten in een naargeestig hotel waar we de enige gasten zijn - op een oude Nederlander na die elke avond drie prostituees laat komen en dan heel hard Het kleine café aan de haven draait. Wat nooit eerder is gebeurd, gebeurt nu wel: we hebben geen enkel gevoel bij het land. Drie dagen lang vragen we ons af: waarom willen we dit eigenlijk? Wat doen we hier? Kunnen we het moreel gezien wel maken om hier een huis te bouwen? Wat is dit eigenlijk voor neokoloniaal gedoe?
Na het zoveelste wanhoopsmoment besluiten we: we doen het niet. Of nee: we gaan ons vanavond flink bezatten, en als we morgen wakker worden en we voelen ons nog steeds zo, dan doen we het niet.
De volgende ochtend schijnt de zon en hebben we een afspraak met de mannen die land aankopen voor Bali Beach Garden. Onderweg naar een van de mogelijke plekken vertellen ze over de deal die ze altijd met de verkopende lokalen sluiten: voor het stuk grond dat ze verkopen, krijgen ze twee keer zoveel grond terug, en dan blijft er ook nog geld over om er een fatsoenlijk huis op te zetten. Als we vervolgens vragen of de vissers het niet erg vinden om hun plek aan het strand op te geven, zegt Putu: ‘Balinezen wonen niet graag aan zee. In de zee wonen kwade goden.’
Niet veel later staan we aan de rand van het dorp Dencarik. De golven spoelen zachtjes op het strand, de eenden waggelen over de rijstvelden. ‘Dit is het’, zeggen we tegen elkaar, ‘dit wordt het dan.’ We zetten stappen, 35 meter in de breedte, 50 in de lengte. Dus deze boom is ook nog van ons? En deze pluk palmen hier, kan die blijven staan?
Nog een uur later, in het kantoor van Bali Beach Garden, is de deal in vijf minuten beklonken. We verwachten handtekeningen, een contract, veel stempels, maar nee: met drie keer drie zoenen zijn we de trotse toekomstige bewoners van een klein stukje Bali, en van een huis met vier slaapkamers, twee badkamers, een zwembad en een tuin van 1650 vierkante meter. We besluiten het Villa Agus Mas te noemen, naar Maas en August, onze zoons. Net als Snackbar Hepi, van Hennie en Piet, maar dan exotisch.
12 augustus 2007. Mail. ‘We zijn begonnen aan jullie paradijs.’ Vrienden vragen: ‘Vinden jullie het niet moeilijk om niet bij de bouw te zijn?’
Ja, dat is moeilijk. Maar het is ook wel rustig om de controle eens uit handen te geven. Bovendien: de keuze voor het type huis is al gemaakt, het enige waarover we nog hoeven beslissen is de kleur van het houtwerk, keramische tegels of hardsteen, donker of licht graniet in de keuken. Dat gebeurt allemaal per mail.
Maar hoe weet je dat alles goed komt? ‘Vertrouwen’, zeggen we, ‘en foto’s.’ Foto’s van de fundering, van het graven van het zwembad, foto’s van de muren, van het dak, het tuinpad, van de badkamers, de keuken, de vloer. Vier maanden lang leven we van zondagochtend naar zondagochtend, want dan komen ze per mail, begeleid door een briefje: ‘Geniet er maar lekker van, en groetjes uit een zonnig Bali.’
Maar als we dan eindelijk gaan, om de oplevering mee te maken op 25 december, is het zonnige Bali ineens niet zo zonnig meer. In Java beeft de aarde en overstromen de rivieren, en de altijd zo rustige Bali Zee komt tot aan de muur die het strand scheidt van onze tuin - en op een nacht komt hij eroverheen. Alle trapjes naar het strand zijn afgebroken, op sommige plekken is het zand anderhalve meter diep weggeslagen.
‘Zo wild is-ie nog nooit geweest’, zegt Ketut, die extra wierook bij het poortje aan het strand brandt om de goden gunstig te stemmen. Daar zitten we dan, in een prachtig huis. Hartstikke bezorgd. En de plavuizen barsten ook al. Het stinkt in de badkamer. De harmonicadeuren functioneren niet.
We verliezen ons vertrouwen, en zeggen: ‘Waarom wilden we dit ook alweer?’
Het antwoord komt twee dagen later, wanneer de zeespiegel zakt en Bali Beach Garden zich een betrouwbare partner toont door na elk telefoontje binnen vijf minuten een paar mannetjes te sturen om de fouten te herstellen. Dan blijkt ook hoeveel makkelijker alles hier gaat. Zorgen waar je thuis nachten van wakker ligt, verdampen binnen een dag.
Twee weken lang zullen we druk zijn met het inrichten van het huis. Een beetje stress geeft dat wel, want de eerste huurders arriveren vlak na ons vertrek. Toch: als er in plaats van blauwe kussens oranje kussens worden geleverd, lachen we met leverancier mister Kordijn, die een verkeerd kleurnummer heeft aangekruist. We laten de hovenier planten aanleggen in zijn geliefde golfpatronen, ook al hadden we de borders liever een beetje recht. Er wordt een tuinhek voor ons gesmeed, met een hart in het midden en blaadjes tussen de spijlen. Balinezen houden van versieren. Met elke dag die verstrijkt wordt de gedachte sterker: we blijven hier, voor altijd. Een straathond kiest ons als baasje en blaft naar iedereen die het terrein nadert. De mensen die een jaar geleden nog op ons stuk land woonden, zwaaien elke ochtend en avond, verre van vijandig. Hun kinderen spelen met die van ons, terwijl we thee drinken in de warung schuin achter ons huis. Even later zien we ze achter op een brommer bij een vader uit het dorp - ze waren iets te ver uit de buurt geraakt.
De dag voor we vertrekken, spreken we Marijke, die een paar maanden geleden naar Bali is geëmigreerd. Ze zegt dat ze vanuit Nederland zo vaak de vraag krijgt: ‘En wat nou als het mislukt? Of als je spijt krijgt?’
‘Dat vind ik zo kortzichtig’, zegt ze. ‘Moet het feit dat het eventueel anders loopt dan je had verwacht, je weerhouden van een spannend avontuur?’
Wanneer we even later de tuin staan te sproeien en zien hoe vissers in hun gekleurde prauwen hun netten binnenhalen, weten wij dit in elk geval zeker: hoe het ook zal uitpakken, op 11 maart 2007 hebben we er een leven bij gekregen - en het is in alles anders dan hier.

En een artikel uit HP de tijd uit 2007;

Als ze een jaar geleden tegen Arie Schelling (51), ‘postbode plus’ uit Brabant, hadden gezegd dat hij eigenaar zou worden van een luxe villa in Bali, dan had hij geantwoord: alleen als er een God bestaat. Zeker, hij en zijn vrouw Jeanne (49) wilden al langer iets anders met hun leven. Baas zijn over ‘gewoon de mannetjes en vrouwtjes die de post bezorgen’, dat kende hij nu wel. Ze fantaseerden over een hotelletje in de Ardennen, hadden de contracten zelfs al bijna getekend. Maar toen kwamen hun goede vakantievrienden Willem en Suzan terug van een trip naar Bali, en die hadden geweldige, betaalbare villa’s gezien met zwembad, een lap van een tuin, en schitterend uitzicht over de Balinese Zee. En ze vroegen: gaan jullie mee?
Sinds een half jaar wonen ze er, en drinken ze iedere avond een bier Bintang aan de rand van het zwembad.
‘Wat doen jullie nou zo’n hele dag?’ vragen de achterblijvers in Nederland. ‘Helemaal niks,’ lachen ze dan, ‘en toch hebben we het druk.’ Zo heeft Suzan pas een Indonesisch ‘romannetje’ gekocht dat ze in het Nederlands vertaalt en telt Jeanne nu al de honderd baantjes die ze dagelijks zwemt in het Bahasa.
Jalan Tulip, ofwel het tulpenstraatje. Een straat vol Nederlanders, of beter gezegd: Brabanders. Gezellig vindt Schelling het er, met allemaal hartelijke mensen. Je loopt er gewoon bij elkaar naar binnen als je daar zin in hebt. Buurman Ton bijvoorbeeld, overhandigde hem vanochtend bij aankomst op Bali een kist vol tulpenbollen. ‘Hij zei:’Hier, ik heb ze voor iedereen meegenomen. Als we die nou allemaal planten, staat het hier dadelijk helemaal vol met Hollandse tulpen.’
Jalan Tulip is niet de enige Nederlandse enclave in Noord Bali. Wat acht jaar geleden nog een onontgonnen kustlijn was met hier en daar een vissershuisje, wordt nu gekscherend Kampong Belanda genoemd: villa na villa, dorp na dorp, over een lengte van twintig kilometer en het einde is nog niet in zicht.
De villa’s zijn gebouwd door Bali Beach Garden Projects, het bedrijf van de Brabantse econoom Noud Kielenstein en zijn zakenpartners Jeroen en Sandra Franken. Ze leerden elkaar in 1998 kennen dankzij hun gemeenschappelijke autodealer. Die wist dat zijn klant Kielenstein, toen nog organisator van de Brabantse huishoudbeurs en een agrarische beurs in Jakarta verliefd was geworden op Indonesie en een handeltje zocht om met een flinke regelmaat dat prachtige land te kunnen bezoeken. Hij wist ook dat Sandra en Jeroen Franken tijdens hun trip naar Bali ‘een heel bijzondere klik hadden gevoeld’ en op naam van hun gids Edy een stukje land hadden gekocht om er ooit een keer een huis op te bouwen. Sandra Franken had op die plek ‘een inslag’ gevoeld, ‘getroffen door de bliksem.’ Ze kreeg een huilbui zoals ze er nog nooit een gehad had en haar man Jeroen voelde zich overdonderd, maar dacht ook: ik moet de onderhandelingen over de grond nog doen.
Weer terug in Eindhoven werkten ze als vanouds zeven dagen in de week in hun zaak voor mobiele telefonie, maar ze bleven ‘een heel gek soort onrust’ voelen. ‘We zaten in een roes waar we niet meer uitkwamen ‘.
Dus toen de drie de koppen bij elkaar staken, waren ze er snel uit. Ze brainstormden drie uur, toen lag het plan op tafel. Ze zouden villa’s gaan aanbieden, ‘turn key’, dus compleet met gordijnen, meubels, glazen, borden en bestek - ja zelfs het bier in de koelkast en tandenborstels in de badkamer. Wie een villa bestelde, zou binnen een half jaar in Bali wonen. Alleen de lokale bevolking zou bouwen en de ‘kokki’s’, horend bij de villa’s, zouden door Sandra worden voorbereid op de Westerse wensen van de nieuwe bewoners
Op het terras van hun villa vlakbij het dorp Lovina zegt Sandra Franken (45): ‘We willen dat iedereen zich lekker verzorgd voelen. Ze moeten in hun huis kunnen trekken zoals ze dat doen in een hotel. ‘ Jeroen (40): ‘Het is niet zo moeilijk om te bedenken wat andere mensen belangrijk vinden als je jezelf als uitgangspunt neemt. Je wilt een heerlijk leven op Bali zonder zorgen. Hoe meer zorgen wij uit handen kunnen nemen, des te beter.’
Willem Meulenbroeks (41) en Suzan Soetens (47) zijn geen mensen die zomaar impulsief een beslissing nemen vinden ze zelf. Maar toen ze vorig jaar Sandra en Jeroen ontmoetten was er maar weinig voor nodig om tot het tekenen van een contract over te gaan. Willem: ‘Die twee zijn gewone mensen die een stukje paradijs gevonden hebben en dat andere mensen ook gunnen.’ Suzan: ‘Ze brengen dat zo mooi, vanuit hun hart, je voelt je tot niets gedwongen.’ Willem: ‘Je praat bij hun thuis eerst lekker alles door: hoe je het huis het liefst wil hebben, welke tegels je in de badkamer wilt, welke planten in de tuin. Ze nemen je mee naar de plek waar het huis zou kunnen komen, je maakt op Jeroens advies foto’s, je filmt en dan zegt Jeroen tegen je: laat het bezinken, neem alles mee naar huis, ik wil niet dat je nu beslist.’
Jeroen: ‘Ik laat ze eerst lekker weer even met beide benen op de grond komen.’
Weer terug in Nederland wisten Willem en Suzan het zeker: zij werd na 30 jaar achter de bar in discotheek de El Sombrero te oud om tussen de naveltruitjes te staan en hij zocht meer avontuur dan het verzorgen van APK-keuringen. Hun toekomst lag in Bali. Samen met Arie en Jeanne. Dat hun vakantievrienden nog nooit op Bali, of zelfs in Azie waren geweest, bleek geen obstakel. Jeanne: ‘Wij vinden leuk wat zij leuk vinden, en andersom.’
Het vakantiegevoel dat ze vroeger hadden als ze elkaar zagen, dat is er niet meer. Arie en Jeanne, Suzanne en Willem: met z’n vieren vormen ze een nieuw gezin. De inrichting van hun nieuwe droompaleis is een samenraapsel van twee inboedels. Het houtsnijwerk van Suzan staat naast de familiefoto’s van Jeanne, de computer waarop ze de hele dag msn-en met het thuisfront is van iedereen. En als ze nu met z’n allen op stap gaan zeggen ze gekscherend tegen elkaar: ‘We mogen met papa mee in de auto’. Zoals in de beste families voorkomt, hebben zij ook zo hun conflicten. Laatst nog, kwam Suzan uit haar slaapkamer en vond ze een briefje in de woonkamer van Arie en Jeanne. ‘We zijn wandelen’, stond erop. Suzan: ‘Toen dacht ik: ‘Zeg, praten wij niet meer met elkaar?’ Misschien is ze wat overgevoelig sinds Willem weer aan het werk is, als opzichter bij Jeroen Franken. Hij is nu hele dagen van huis. Misschien moet ze er ook aan wennen dat Jeanne in de overgang is, en daardoor niet meer de Jeanne is die ze kenden. Suzan: ‘We hebben nu afgesproken: als Jeanne in de bale benong zit, moeten we haar met rust laten. En als ik op het strand ben, weten de andere drie: Suzan is even in therapie met zichzelf.’
Ach, eigenlijk zijn ze er ook wel weer aan toe om iets te gaan doen. Ze kunnen alle vier niet wachten tot ze hun gedroomde restaurant in Lovina kunnen openen. Arie: ‘Wij dachten aan het Gonzales-concept: lekker aan tafel op je eigen barbecue kokkerellen. Maar iets opstarten is moeilijker dan je denkt.’ Het restaurant dat ze op het oog hadden bleek veel te duur en stond op instorten, de eerste set barbecues die Arie uit Nederland liet overkomen bleek te brandgevaarlijk in de tropen, tweede set te duur in gebruik. Maar je zult hen niet horen klagen, want alles beter dan het kille leven in Nederland.
Suzan: ‘Ik heb zoveel respect voor de mensen hier. Ze hebben helemaal niks, nog geen matras om op te slapen, nog geen bord om op te eten, en toch stralen ze altijd. Zoals ze hier aan een huis bouwen, er wordt niet gevloekt, er wordt geen ruzie gemaakt, ik vind het supergeweldig. Dat veilige en gezellige dat je vroeger in Nederland vond, dat vind je hier weer terug.’
Cor Jansen (57) woont vijf jaar op Bali en dacht precies zo toen hij hier net kwam wonen. Als kind van twaalf las hij een boek over Indonesie, zo kleurrijk beschreven dat hij dacht: later zal ik mijn dagen gaan slijten in den verre. Toen hij zijn vrouw ontmoette droomden ze er samen van. Ze reisden de hele wereld af en fantaseerden van hun oude dag samen in de tropen.
Totdat het bericht kwam, hij weet het nog goed, hij was op reis met een vriend in Thailand, dat zijn vrouw zich niet lekker voelde. Cor: ‘Ze ging naar de huisarts en hoorde: u heeft darmkanker. Precies een jaar later was ze dood.’
Het leven ging verder, maar Cor Jansen kon de draad niet meer oppakken. Hij voelde zich leeg voelen. Hij probeerde nog een nieuwe start te maken door hun huis te renoveren. Het hielp niet.
Toen hij op de Second House Beurs ontdekte dat het mogelijk bleek een huis op Bali te kopen, kwam dat als een geschenk uit de hemel. Hij overlegde met zijn enige dochter. Die zei: pa, ga. Maar wat doen we dan met ma, vroeg hij. Dat wil zeggen: met de urn. Zijn dochter zei: ‘Jullie waren 25 jaar getrouwd, ik vind dat ze bij jou hoort.’
Samen stapten ze in het vliegtuig. Cor Jansen nam de urn mee als handbagage. Het kwam niet in hem op dat hij wel eens aangehouden zou kunnen worden. Maar gek, geen mens vroeg wat er in z’n tas zat, ze ging zo door de scan. En het is onbeschrijflijk hoe gelukkig hij is dat ze nu, in z’n tuin in Bali, prachtig bij een tempeltje, een parasolletje erboven, bij hem is.
Alleen, nu na een jaar of vijf, begint het Balinese geluk scheuren te vertonen. ‘Wat mij het meeste tegenvalt,’ zegt Cor Jansen, dat de Balinezen altijd en eeuwig wat van je moeten. Ja, die aardige lach, die vriendelijke houding, dat zachtaardige, dat klopt, maar ze hebben maar een doel. Voor de de Balinees, of eigenlijk voor de Aziaat in het algemeen, ben je een wandelende bank. Je moet hier altijd op je hoede zijn want ze willen alles van je hebben. Je zonnebril, je schoenen, je kunt het zo gek niet bedenken. En ze vragen het zonder gêne.’
Cor kan moeilijk nee zeggen, daar heeft het ook mee te maken. Zijn grootste fout: hij gaf zijn hulp onderdak, maar kreeg er het halve dorp bij.
Het nieuwe leven van Kampong Belanda. De bewoners van Jalan Tulip verkeren nu nog in eufore staat, weten de landgenoten van andere projecten van Bali Beach Garden Projects. Als er al twijfels waren over het gevaar voor terrorisme, een tsunami, de komst van de islam naar het hindoeistische eiland, dan zijn die door Sandra en Jeroen weggenomen. Maar andere zorgen komen er voor in de plaats. Een Hollands leven in een totaal andere cultuur is een illusie. Iedereen moet leren omgaan met bediendes, die de hele dag in huis zijn, al het werk uit handen nemen, wordt niet gekookt zoals je dat thuis gewend bent, -altijd lauw en nooit heet-, afspraken worden niet nagekomen en de witte was wil nog wel eens gekleurd uit de machine komen. ‘Maar neem het ze eens kwalijk’ zegt Sandra Franken, ‘thuis hebben ze helemaal niks.’
En dan zijn er nog de kleine dagelijke ongemakken zoals computers die niet werken, het eentonige ontbijt van wit brood, de electriciteit die nogal eens uitvalt. Het zou te gek zijn om van Sandra en Jeroen Franken te verwachten dat ze ook daar zorg voor dragen, en toch doen ze het, van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat. Jeroen Franken: ‘De verkoop houdt voor ons niet op bij de poort. Het voelt toch een beetje als een grote familie met allemaal kinderen die je goed wilt begeleiden tijdens de nieuwe stap in hun leven.’ Sandra: ‘Maar het is ook goed als ze op een gegeven moment op eigen benen gaan staan. Zij moeten zelf hun weg leren vinden in het Balinese leven.’
En het kan. Zelfs als je oud en slecht ter been bent. Of juist. Neil en Jogri - ‘een exotische naam, maar gewoon van Johanna en Grietje’ Blok - zijn ver in de zeventig. Beiden moesten herstellen van een zware operatie, maar de zorg waarop ze hoopten bleek ineens niet beschikbaar. Ze kozen voor Bali als laatste bestemming voor hun leven, kenden het eiland al van familie die er woonde. De vier man personeel - nog steeds heel betaalbaar - zijn een geweldig alternatief voor de thuiszorg die ze moesten ontberen.
Met de Nederlanders op Bali willen ze niks te maken hebben. Ze willen leven als de Balinezen, en ja, ook sterven. Dus bij de aankoop van hun huis was die vraag cruciaal: ‘Kunnen we hier sterven zoals wij dat willen?’ Jeroen Franken herinnert het zich nog goed: ‘Ik heb de telefoon gepakt en aan onze Balinese compagnon Edy gevraagd of hij een traditionele crematie kon regelen als het moment daar was.’
Jogri weet nu dat haar leven op traditioneel Balinese wijze zal eindigen, Neil twijfelt nog, Het liefst wodt hij opgebaard in zijn prauw met daarop IJm (uiden). Met wat dynamiet ’stuift’ hij dan zo de zee op, en komt hij tot ontploffing.Voor een ex-marinier is er geen mooier einde denkbaar.

Copyright © Balibeachgarden projects